Gisteren lag op de gratis toegankelijke Parade in een speciale Volkskrantdisplay een stapel gratis Volkskranten klaar om mee te nemen. En omdat het vakantie is nam ik er ééntje mee, die ik nu helemaal - van kaft tot kaft - gelezen heb, zoals ik dat vroeger deed als ik in Portugal opeens een Nederlandse krant te pakken had gekregen, die net zo duur was als een warme maaltijd.
Dit bericht viel me op, en daarover wil ik schrijven: Pomphouders tegen oplaadstations. (Hier volgt een parafrase: de exploitanten van tankstations hebben in een kort geding geëist dat de overheid en het bedrijf Fastned stoppen met het plaatsen van oplaadstations van elektrische auto's langs de snelweg. De pomphouders hebben immers met de overheid een contract gesloten dat zij tot 2024 de exclusieve rechten hebben voor de verkoop van van brandstof langs de snelweg. [...] De wisseling voor de Haagse rechter draaide om de vraag wat in de wet bedoeld wordt met 'brandstoffen'. [...] De rechter vroeg aan de advocaat van de pomphouders: 'Dus als iedereen op water gaat rijden, vindt u dat u als enige een kraan langs de snelweg mag zetten?' En de advocaat van de exploitanten: 'Daar komt het wel op neer.')
Ik denk dat een rechter best domme vragen mag stellen, maar geen totaal stompzinnige en daardoor bijzonder manipulatieve hypothetische vragen. De advocaat was waarschijnlijk zo overrompeld door de het stuitende gebrek aan technisch inzicht van de rechterlijke macht, dat hij weliswaar redelijk welbespraakt bleef, maar toch niks intelligents kon terugzeggen. Auto's zullen nooit op water (uit de kraan) kunnen rijden, want water (uit de kraan) is géén brandstof. Niet eens hypothetisch.
